De meeste nummers zijn drie of vier akkoorden met een melodie erbovenop, zo gerangschikt dat twee secties elkaar afwisselen. Dat is het hele recept, en je kunt het deze week volgen zonder ook maar iets van theorie te weten. Kies eerst je akkoorden, neurie er een regel over, schrijf een tweede sectie die anders aanvoelt, en keer daarna terug naar de eerste sectie. Wil je liever een startpunt dan een methode, gebruik dan C, G, A mineur, F, in een lus, op een langzaam tempo. En heb je al een lus die af klinkt maar geen nummer wil worden, sla dan door naar de sectie daarover hieronder: het probleem is bijna nooit de lus, maar dat een nummer geen lus is die gegroeid is.
Een nummer schrijven klinkt als iets waar je het recht op verdient na jaren les. Dat is niet zo. Hier is het eenvoudigste pad van niets naar een afgerond idee.
Wat als je helemaal niet weet waar je moet beginnen?
Begin dan niet vanuit niets. Dit is de meest voorkomende reden dat een eerste nummer er nooit komt, en het is het benoemen waard: piano spelen geeft je een opdracht, componeren geeft je een leeg scherm. Dat zijn totaal verschillende problemen, en goed zijn in het eerste helpt niet bij het tweede.
Neem dus een opdracht in plaats van vrijheid. Hier is er een, en hij is met opzet nauw.
Vier akkoorden: C, G, A mineur, F. Eén maat elk, in een lus. Zestien maten in totaal, dus vier keer rond. Eén instrument. Een langzaam tempo, langzaam genoeg dat je nooit hoeft te jakkeren. Rond het vanavond af, ook al is het slecht.
Die vier akkoorden werken in die volgorde om dezelfde reden dat een enorme hoeveelheid popmuziek ze gebruikt: ze horen allemaal bij één toonaard, dus niets wat je erover speelt kan verkeerd klinken, en het laatste leidt terug naar het eerste, waardoor de lus nooit voelt alsof hij stopte. Je hoeft dat niet te begrijpen om het te gebruiken.
De beperkingen zijn juist de bedoeling. Een opdracht die je niet zelf hebt gekozen haalt de beslissingen weg die je verlamden en laat alleen de beslissing over die er wel toe doet, namelijk wat de melodie doet. Heb je er zo één afgerond, verwissel dan een akkoord en doe het opnieuw.
Begin met de akkoorden, niet met de melodie
De meeste beginners gaan op jacht naar een wijsje en lopen vast. Draai het om. Kies eerst een paar akkoorden en laat ze je dragen.
Vier akkoorden is genoeg. Weet je niet welke bij elkaar horen, dan handelt de Chord Builder de theorie voor je af: kies een grondtoon en een kwaliteit zoals majeur of mineur, hoor het, en houd degene die naast elkaar goed klinken. Zit je in plaats daarvan achter een computer, dan doet onze gratis akkoordenspeler hetzelfde werk in de browser. Speel je vier akkoorden in een lus tot het wisselen ertussen vanzelf gaat onder je handen.

Zet er een melodie bovenop
Neurie nu over je lus. Mik niet op slim, mik op iets dat je voor een vriend zou kunnen terugzingen. Zingbaarheid is de echte test, en het is de test die Arnold Schoenberg in Fundamentals of Musical Composition aanlegt: als je het niet kunt zingen, is het nog geen melodie. Wanneer je een regel raakt die je mooi vindt, zoek die noten op het toetsenbord. Je akkoorden duwen je oor al naar noten die passen, dus dit is veel makkelijker dan beginnen met een lege pagina.
Laat de melodie groeien uit één klein frasetje
Hier is de techniek die een melodie die ergens heen gaat onderscheidt van vier maten die simpelweg stoppen. Je hebt maar één korte frase nodig, twee seconden muziek, en Schoenberg noemt die het grondmotief. Al het andere groeit daaruit door wat hij ontwikkelende variatie noemt: herhaal de frase, maar houd het belangrijke deel vast en verander de rest.
In de praktijk: houd het ritme vast en verschuif de noten. Speel je frase, speel dan hetzelfde ritme maar begin een trap hoger, of over het volgende akkoord in je lus. Je oor hoort het als hetzelfde idee, en dat is precies wat een melodie samenhangend laat aanvoelen, maar het is geen kale herhaling, en dat is precies wat voorkomt dat ze gaat vervelen. Een frase ongewijzigd herhalen is monotoon. Er alles aan veranderen is onsamenhangend. De middenweg is het hele vak.
Geef het twee delen
Een nummer wordt interessant wanneer er iets verandert. Contrast is de motor van het geheel, en de eenvoudigste vorm die werkt is een eerste sectie, een contrasterende tweede sectie, en dan de eerste weer terug. Schrijf een tweede deel dat echt verschilt van het eerste: leg het hoger, maak het luider, houd langere noten aan, of leen een akkoord van buiten je lus. Keer daarna terug naar je openingssectie, zodat de luisteraar het gevoel heeft ergens teruggekomen te zijn.
Nu heb je een couplet en een refrein, wat het meeste is van wat een nummer eigenlijk is.
Er is één regel over dat middendeel die makkelijk fout gaat. Het moet contrasteren zonder een ander stuk muziek te worden. Houd de maatsoort vast en houd het ritme van je frase vast; verschuif de harmonie. Schoenberg is ongewoon bot over waar het hier misgaat: contrast zonder motivische of metrische band met de opening is, in zijn woorden, ontoelaatbaar in een goed georganiseerde vorm. Klinkt je tweede sectie alsof ze uit een ander nummer is binnengewandeld, dan is dat de reden.
Wat als de lus af klinkt maar nergens heen gaat?
Dit is een ander probleem dan de lege pagina, en het komt veel vaker voor dan iemand toegeeft. Je hebt dertig of zestig seconden waar je echt tevreden over bent. Het herhaalt. Het gaat nergens heen. Er nog een laag bovenop leggen maakt het luider, niet langer.
De oorzaak zit in de vorm, en die benoemen helpt. Je behandelt het stuk als iets dat groeit: klein beginnen, partijen toevoegen, groter worden, eindigen op het hoogtepunt. Dat werkt precies één keer, en daarna kun je nergens meer heen, want je hebt het hele stuk in één richting bewogen. Een nummer is geen lus die gegroeid is. Het is een uitgangspunt, een vertrek en een veranderde terugkeer.
Arnold Schoenberg noemt die vorm de kleine driedelige vorm in Fundamentals of Musical Composition, en schrijft haar als A, B, A prime. Jouw lus is A. Je hebt een B nodig, en daarna heb je A weer terug nodig, iets anders dan eerst. Drie dingen maken dat het werkt, en geen daarvan vraagt meer ideeën dan je al hebt.
De B-sectie heeft geen nieuw materiaal nodig. Neem de frase die je al hebt en zet haar harmonisch ergens anders. Zelfde ritme, ander akkoord eronder. Schoenbergs eigen kleinste recept voor een middendeel is twee maten plus een gevarieerde herhaling van die twee maten, dus vier maten in totaal, en dat betekent dat je geen tweede nummer schrijft. Je schrijft vier maten.
Eindig de B-sectie op het akkoord dat terugtrekt. In C majeur is dat G. Schoenberg noemt dit het opmaatakkoord: het gedraagt zich als een opmaat naar een eerste tel, waardoor de terugkeer van je opening landt in plaats van alleen maar gebeurt. Probeer het op beide manieren en je hoort het verschil direct. Eindigt B op C, dan voelt de terugkeer als een herstart. Eindigt B op G, dan voelt hij als een aankomst.
Verander iets wanneer A terugkomt. Niet veel. Een ander laatste akkoord, één herhaling minder, de melodie een octaaf hoger, een basnoot die eronder wordt aangehouden. Een letterlijke herhaling leest als de band die opnieuw rondgaat. Een veranderde herhaling leest als een terugkeer, en daar is het allemaal om begonnen.
De andere helft van waarom een lus niet kan eindigen, is dat er nooit iets in afbouwt. Schoenbergs term voor dat afbouwen is liquidatie, en het is een techniek, geen ongelukje: terwijl je naar de laatste maten toe werkt, haal je de kenmerkende stukjes uit je frase en maak je haar korter. Frasen van twee maten worden één maat, dan een halve maat, en de karakteristieke sprong of het gepuncteerde ritme wordt platgestreken tot gewone trapjes. Wat overblijft is neutraal genoeg dat het niet langer om een vervolg vraagt, en dat is wat je in staat stelt te stoppen. Een lus houdt zijn hooks tot aan de rand scherp, dus het oor blijft meer verwachten. Dat is geen mixprobleem. Dat is de reden dat het onafmaakbaar voelt.
Probeer dit vanavond op de lus die je al hebt: houd hem als A, schrijf vier maten B met hetzelfde ritme over andere akkoorden en laat die op G eindigen, breng A terug met een ander slotakkoord, en kort de laatste twee maten in. Dat is een compleet stuk, en het is misschien tien minuten werk op materiaal dat je al bezit.
